:: Presentatie :: Geschiedenis Huldenberg
Groot-Huldenberg is het resultaat van de fusie op 1 januari 1977 van 5 deelgemeenten:
Huldenberg, Loonbeek, Neerijse, Ottenburg en Sint-Agatha-Rode.
Voordien hebben deze woonkernen een rijk verleden gekend; sommige hebben
ook een gemeenschappelijke geschiedenis gehad; reeds in de Middeleeuwen
is het duidelijk dat er onderlinge contacten plaatsvonden volgens de morfologische
structuur van het landschap: de dorpen die aan dezelfde rivieren lagen voelden
zich door elkaar aangetrokken.
Zo hebben Ottenburg en Sint-Agatha-Rode een eeuwenlange gelijklopende geschiedenis
gekend.
Aan de IJse hingen de dorpen in de vroege Middeleeuwen van Neerijse af.
Met de tijd heeft eerst Huldenberg, daarna Loonbeek zich afgescheurd ; zodoende
vormden ze drie afzonderlijke entiteiten.
Hieronder vindt u een overzicht van de geschiedenis van de 5 dorpen.
(Tekst en foto's: Jean-Pierre Van Binnebeek). Heel
lang geleden
Reeds heel vroeg hebben volkeren onze streek uitgekozen om er zich neer
te zetten. Er werden zeer oude gebruiksvoorwerpen gevonden die aantonen
dat het gebied bewoond was. De ophoping in de wijk De Tomme (Ottenburg)
dateert van voor 2500 jaar voor Christus ; zij is een stille getuige van
de aanwezigheid van een interessante cultuur.
In de Romeinse periode was het gebied volledig bebost. Een aantal wegen
doorkruisten de gemeente. Zo was er de Noord-Zuid-heerweg, de zogenaamde
Waalse baan, die Baucelet en Rumst verbond.
Aan het kruispunt met Oost-West-verbindingen vormden zich woonkernen. De
belangrijkste was wellicht degene die gelegen was aan de 'grote brug', de
enige plaats in de streek waar men met een kar over de IJse kon rijden.
Op deze plaats ontstond het huidige gemeenteplein dat wellicht in de Frankische
periode zijn huidig uitzicht kreeg.
Het ontstaan van een gestructureerde samenleving
Aan de basis van het ontstaan van woonkernen liggen ook
verschillende hoeves. Zij vormden het centrum van de economische activiteit
en zij konden zich ontwikkelen toen de ontbossing een feit was.
Op religieus vlak waren de dorpen in de vallei van de IJse onder het beheer
van de abdij van Corbie (Noord-Frankrijk). Neerijse was de belangrijkste
plaats: de abdij had er een grote Romaanse kerk laten bouwen waarvan nu
nog de twee torens zijn overgebleven.
Op politiek vlak stond de hele streek onder de heerschappij van de graven
van Leuven die zich rond het jaar 1000 affirmeerden en die hun macht en
territorium uitbreidden over het graafschap Brussel. Zij bekwamen de titel
van Hertogen van Brabant en schaarden de adel en ministeriales rond zich,
betrokken hen bij het bestuur en creëerden zodoende een band tussen de
hertog, die het hoofd van het hertogdom was, en de andere heren.
De bloeiperiode
Zo scheurde Huldenberg zich van Neerijse af in de 13e eeuw: de Heren
van Huldenberg, een familie van ministeriales hadden het moerassig gebied
langs de IJse uitgekozen om er een burcht te bouwen. Aan de overkant van
de IJse bevond zich reeds een andere invloedrijke heerlijkheid met een
oude familie die gedurende verschillende eeuwen de Smeyersberg beheerde.
De dorpen van de Dijlevallei waren verenigd onder de naam Sint-Achtenrode.
Dit was het begin van een gemeenschappelijke geschiedenis voor Ottenburg
en Sint-Agatha-Rode samen met een aantal naburige woonkernen. Blijkbaar
kon deze toestand in volle harmonie in alle dorpen evolueren, wellicht
omdat de Hertogen van Brabant een sterk beleid voerden; zij hadden trouwens het volste vertrouwen in hun
onderdanen en konden, als het nodig was, rekenen op hun steun in geval
van conflict of oorlog, wat ook vaak gebeurde.
Deze situatie kon zich praktisch tot het midden van de 15e eeuw handhaven.
De prestigieuze O.-L.-Vrouwekerk, gebouwd op de plaats waar een klein
Romaans bedehuis stond, is wellicht de belangrijkste getuige van deze
bloeirijke periode. Dit kan ook gezegd worden van de Sint-Agatha-kerk
die haar huidig uitzicht kreeg in de 14e eeuw.
Moeilijke tijden
De 16e eeuw was, met Keizer Karel, de eeuw van de eenmaking van Europa.
Het was ook de eeuw van het opkomen van het protestantisme. Onze dorpen
deelden in de klappen. Zeer vaak werden ze geplunderd, de waardevolle
gebouwen verwoest, de oogsten vernietigd. De bevolking leefde in armoede.
Later brachten de oorlogen van Lodewijk XIV geen beterschap.
Op religieus vlak had de abdij van Corbie zich teruggetrokken om plaats
te ruimen voor de opkomende Priorij van Groenendaal.
Families hebben het bewind
Op politiek vlak kenden de dorpen wankele situaties. Alleen Loonbeek
kon rekenen op het bestuur van een invloedrijke familie: de Vandervorsten,
zeer katholiek, dus ook geviseerd door de calvinistische bewegingen. In
Huldenberg volgden verschillende families elkaar op: Van Houthem, Charles,
Rijckewaert. In 1714 kocht Claude Eugène de Baudequin de heerlijkheid
wat tot enige stabiliteit leidde.
In Neerijse kwam de macht vanuit de eigenaars van de hoeves. De familie
Bouwens van der Boyen (Hoeve Langerode) drong zich op en opende de deur
voor de familie d'Overschie met welke het dorp in de tweede helft van
de 18e eeuw een bloeiperiode kende. Het kasteel werd drastisch verbouwd en een park à-la-Versailles
werd aangelegd.
Ottenburg en Sint-Agatha-Rode waren minder gelukkig met de families de
Ulloa en de la Puente die in Limal woonden en zich weinig aantrokken van
de materiële noden van de plaatselijke bevolking.
De kentering
De Franse inval in 1795 bracht het Ancien Regime aan het wankelen.
De plaatselijke families in Loonbeek, Ottenburg en Sint-Agatha-Rode werden
de laan uitgestuurd. Het ontstaan van de gemeentes werd een feit. In Neerijse
en Huldenberg slaagden de plaatselijke families erin zich te handhaven
; dankzij hun opportunisme bleven de goederen overeind.
In Huldenberg verscheen de familie de Limburg de Stirum door het huwelijk
van Thierry met Marie-Thérèse de Thiennes die erfgename was van een deel
van de bezittingen van de vroegere familie de Baudequin. In 1865 verwierven
ze het kasteel en het park waar hun nazaten nog altijd wonen.
In Neerijse kon Robert de Bethune en zijn zoon de goederen niet meer beheren.
Het kasteel viel in verval en werd tot andere doeleinden gebruikt.
Erger nog was het gesteld met het fraai kasteel van Loonbeek dat tot 1975
moest wachten op restauratie. Op religieus vlak werden tijdens de Franse
periode de kerken en hun inboedel niet gespaard. Pastoors die de eed van
trouw aan de Franse Republiek niet wilden afleggen (zoals Pastoor Moerenhout
in Huldenberg) moesten onderduiken. Dit was ook het einde van de Priorij
van Groenendaal. Voortaan werden de pastoors benoemd door Mechelen. In
Loonbeek was de kerk de slotkapel van het kasteel en had de priester een
apart statuut. Daardoor werd de parochie Loonbeek slechts zelfstandig
in 1874.
Groot-Huldenberg kan terugblikken op een zeer rijk verleden.
Belangrijker nog is dat de sporen ervan niet uitgewist zijn. De structuur
van de dorpen is weinig veranderd, het kunstpatrimonium is wel zwaar aangetast
door de talrijke verwoestingen en plunderingen.
|